Mobiel Vlaanderen - website voor lokale overheden
   U bent hier :   Mobiel Vlaanderenlokale overheden >  Lokaal mobiliteitsbeleid > Mobiliteitsplanzoeken
LOKAAL MOBILITEITSBELEID
• Wat?
• Mobiliteitsplan
• Projecten
• Kwaliteitsbewaking
• Samenwerkingsovereenkomsten
• Projectsubsidies
• Wetgeving en omzendbrieven
• Overlegorganen
• Mobiliteitsbegeleiders
• Vragen & antwoorden
THEMA'S
VERVOERSMODI
 • Voetgangers
 • Fietsers
 • Openbaar vervoer
 • Taxi en VVB
 • Vrachtverkeer
BELEID
 • Snelheidsbeleid
 • Participatie en inspraak
 • Parkeerbeleid
 • Sluipverkeer
 • Milieu
INFRASTRUCTUUR
 • Schoolbuurt
 • Verlichting
 • Winterdienst
RICHTINGGEVEND KADER
• Mobiliteitsbrief
• Vademecums
• Richtlijnen- en ideeëngidsen
• Beleidsplannen
• Statistieken
AANVULLENDE REGLEMENTEN
• Wat?
• Regelgeving
• Goedkeuring nieuw AR
• Aandachtspunten bij opmaak
• IRG
• Contact
WIE IS WIE?
• Overheden en administraties
• Belangengroepen en
   beroepsorganisaties

• Studiebureaus
• Opleidingsinstellingen
• Onderzoeks- en kenniscentra

Het gemeentelijk Mobiliteitsplan

Rechtstreeks naar specifieke artikels m.b.t. het mobiliteitsplan:

Opmaak
van het gemeentelijk mobiliteitsplan

Evaluatie / herziening
van het gemeentelijk mobiliteitsplan



Inhoud
1.    Inleiding  
2.    De opmaak van een (nieuw) gemeentelijk mobiliteitsplan   
3.    Procedure   
4.    Subsidiëring   
5.    Evaluatie en zo nodig herziening van het gemeentelijk mobiliteitsplan 
5.1.    Evaluatie via de sneltoets 
5.2.    Voortgangsverslag   

1.    Inleiding

Een goed gemeentelijk mobiliteitsplan is cruciaal voor de uitbouw van het gemeentelijk mobiliteitsbeleid waarvoor de gemeente autonoom bevoegd is. Bijvoorbeeld om een gemeentelijk verkeersveiligheidsbeleid uit te tekenen langs de gemeentelijke straten en pleinen, schoolomgevingen verkeersveiliger te maken, een lokaal fietsroutenetwerk uit te bouwen, enz. Het mobiliteitsplan vormt voor de gemeente ook een kader waarmee ze haar beleid kan duiden, communiceren en verdedigen naar de bevolking.

Daarnaast is het gemeentelijk mobiliteitsplan het kader voor de projecten en acties die in samenwerking met andere actoren (het Vlaamse Gewest, VVM De Lijn, de provincies, ...) gerealiseerd kunnen worden.

Decreet van 20-03-2009 betreffende het mobiliteitsbeleid, gewijzigd bij het Decreet van 10-02-2012
(het Mobiliteitsdecreet)
Volgens het Decreet van 20-03-2009 betreffende het mobiliteitsbeleid, gewijzigd bij Decreet van 10-02-2012 moet voor elke gemeente een mobiliteitsplan worden opgesteld als kader voor het gewenste duurzame lokaal mobiliteitsbeleid. Het plan heeft een tijdshorizon van tien jaar en kan een doorkijkperiode van dertig jaar omvatten. Het gemeentelijk mobiliteitsplan richt zich naar het Mobiliteitsplan Vlaanderen, waarvan het de bepalingen aanvult op gemeentelijk niveau. Tot op heden is er nog geen Mobiliteitsplan Vlaanderen vastgesteld.

Het decreet voert als algemeen geldend principe binnen het mobiliteitsbeleid naast het STOP-principe ook het participatiebeginsel in. Op grond hiervan wordt "aan burgers vroeg, tijdig en doeltreffend inspraak verleend bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het volgen en het evalueren van het mobiliteitsbeleid." Concreet betekent dit dat het college van burgemeester en schepenen een besluit neemt over een voorstel van participatietraject en dit voor goedkeuring voorlegt aan de gemeenteraad. Het spreekt voor zich dat een dergelijk participatietraject zo vroeg mogelijk in de procedure wordt opgemaakt en vastgesteld. Dat gebeurt dan ook het best op het moment dat de beslissing tot de opmaak/bijsturing van het mobiliteitsplan wordt genomen. Het decreet geeft gemeenten de volledige autonomie om zelf een participatietraject op maat op te zetten. Indien de gemeente geen regels vastlegt voor de participatie, zal het voorlopige ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan minstens aan een openbaar onderzoek moeten worden onderworpen.

Titel III Hoofdstuk III van het genoemde decreet beschrijft de procedure voor de vaststelling van het gemeentelijk mobiliteitsplan en legt regels vast voor de inhoud van het gemeentelijk mobiliteitsplan.

Het Decreet van 20-03-2009 betreffende het mobiliteitsbeleid, gewijzigd bij Decreet van 10-02-2012, bepaalt een tweedelig gemeentelijk mobiliteitsplan met :
  • een informatief deel, dat grosso modo inhoudelijk overeenkomt met de oriëntatienota (resultaat van fase 1) en delen van de synthesenota (resultaat van fase 2) uit de gekende methodiek voor de opmaak van het gemeentelijk mobiliteitsplan. In geval van herziening van het mobiliteitsplan volgens het spoor 2 "verbreden – verdiepen" (zie verder), komt dit deel grosso modo inhoudelijk overeen met de verkennings- en uitwerkingsnota ;
  • een richtinggevend deel met de bijkomende elementen die in fase 3 van dezelfde methodiek worden toegevoegd aan het planproces : het beleidsplan (incl. actieplan). In geval van herziening van het mobiliteitsplan volgens het spoor 2 "verbreden – verdiepen" (zie verder), komt dit deel grosso modo inhoudelijk overeen met de derde fase
'Informatief deel van het gemeentelijk mobiliteitsplan'
Het Decreet van 20-03-2009 betreffende het mobiliteitsbeleid, gewijzigd bij Decreet van 10-02-2012 bepaalt het informatieve deel als volgt :

Artikel 17

§1.    Het informatieve deel van het gemeentelijk mobiliteitsplan bevat ten minste:
1°    een omschrijving, analyse en evaluatie van de bestaande, lokale mobiliteitstoestand;
2°    een onderzoek naar de toekomstige mobiliteitsbehoeften van de onderscheiden maatschappelijke activiteiten;
3°    een omschrijving, analyse en evaluatie van de relatie met onder meer het Mobiliteitsplan Vlaanderen (indien beschikbaar), de relevante provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen, de provinciale en gemeentelijke milieubeleidsplannen, en de relevante provinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten, waarmee in voorkomend geval de afstemming wordt geregeld overeenkomstig artikel 7, §3;
4°    een omstandige omschrijving van de redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatieven om de gewenste mobiliteit op het lokale vlak te bereiken.
'Richtinggevend deel van het gemeentelijk mobiliteitsplan'
Het Decreet van 20-03-2009 betreffende het mobiliteitsbeleid, gewijzigd bij Decreet van 10-02-2012 bepaalt het richtinggevende deel als volgt :

Artikel 17

§2.    Het richtinggevende deel van het gemeentelijk mobiliteitsplan omvat ten minste:
1°    een beschrijving van de gewenste lokale mobiliteitsontwikkeling;
2°    de operationele doelstellingen betreffende de lokale mobiliteitsontwikkeling;
3°    een actieplan, uitgewerkt in hoofdlijnen, dat bestaat in de maatregelen, middelen, termijnen, en de prioriteiten die daarbij gelden, en, in voorkomend geval, een lijst met punten waarvoor overleg en samenwerking met naburige gemeenten wenselijk zijn.
§3.    Het gemeentelijk mobiliteitsplan geeft aan in hoeverre het voorgenomen mobiliteitsbeleid is afgestemd op de beleidsplannen, vermeld in §1, eerste lid, 3°, of aanleiding geeft tot een wijziging van gemeentelijke beleidsplannen of gemeentelijke beleidsdocumenten.

Een intergemeentelijk mobiliteitsplan kan worden opgemaakt voor het geheel van de grondgebieden van aangrenzende gemeenten. Het intergemeentelijke mobiliteitsplan kan bepalingen bevatten op intergemeentelijk en op gemeentelijk niveau. Wanneer het intergemeentelijk mobiliteitsplan voor het gemeentelijk grondgebied volledig voldoet aan de bepalingen van het decreet dient de gemeente geen afzonderlijk gemeentelijk mobiliteitsplan op te maken.

2.    De opmaak van een (nieuw) gemeentelijk mobiliteitsplan

Een mobiliteitsplan maken is een proces. Tijdens dat proces moet een toekomstvisie worden ontwikkeld. De opmaak van een mobiliteitsplan gebeurt volgens de driedeling:
oriëntatienota – planopbouw (synthesenota) – beleidsplan.
  • Fase 1: Oriëntatie, resulteert in een oriëntatienota.
    De fase waarin men een inventaris en een synthese maakt van de bestaande plannen en studies, een overzicht maakt van de visies van de actoren, een omschrijving en analyse maakt van het mobiliteitsprobleem en een definiëring opstelt van het verdere onderzoek. Hieruit volgt de oriëntatienota.
  • Fase 2: Planopbouw, resulteert in een synthesenota.
    De fase waarin het plan opgebouwd wordt. Eerst wordt het noodzakelijke aanvullende onderzoek verricht. Vervolgens worden een trendscenario en één of meerdere alternatieve ontwikkelingsscenario's gericht op duurzame mobiliteit uitgewerkt en geëvalueerd. Deze fase mondt uit in een synthesenota.
  • Fase 3: Beleidsplan, resulteert in een ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan.
    De fase waarin het feitelijke mobiliteitsplan, zoals gedefiniëerd in het Mobiliteitsdecreet, wordt opgesteld. Uit de scenario's wordt een keuze gemaakt. Die keuze wordt geconcretiseerd in het mobiliteitsplan waarin de krachtlijnen van de werkdomeinen staan en de verantwoordelijkheden van de beleidsactoren. De maatregelen die uitvoering moeten geven aan het mobiliteitsplan, worden in een actieplan opgenomen. De acties worden gerangschikt volgens prioriteit en tijdspanne zodat een hiërarchisering optreedt.

Elke fase wordt aan de GBC of IGBC ter bespreking tot consensus voorgelegd. Het resultaat van elke fase kan apart aan de RMC en de kwaliteitsadviseur worden voorgelegd. Na afloop van het openbaar onderzoek of andere vormen van participatie wordt het ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan ter bespreking voorgelegd aan de RMC. Na de bespreking in de RMC verleent de kwaliteitsadviseur een advies.

N.a.v. de invoering van de sneltoets en de mogelijkheid tot herziening van het mobiliteitsplan, werd de methodiek voor de opmaak van een (nieuw) mobiliteitsplan zoals destijds gepubliceerd in Het Mobiliteitshandboek aangepast aan de nieuwe manier van werken, rekening houdend met de jarenlange praktijk.

Gemeenten die hun mobiliteitsplan vernieuwen kunnen dus deze vertrouwde, maar aangepaste methodiek gebruiken (zie verder). Gemeenten die voor het eerst een mobiliteitsplan maken ook, uiteraard dan zonder verwijzing naar de sneltoets.

Het hergebruik van de oude methodiek heeft dus de volgende voordelen :
  • de (vaste) leden in de Gemeentelijke Begeleidingscommissie (GBC) zijn ermee vertrouwd;
  • ze is gericht op integratie van beleidsdomeinen;
  • de hele methodiek of onderdelen ervan zijn bruikbaar voor de herziening van het mobiliteitsplan (voor de drie sporen).
Gemeenten die besluiten om specifiek aandacht te willen vestigen op milieuaspecten in hun mobiliteitsplan kunnen hiervoor gebruik maken van het instrumentarium dat via het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) ter beschikking wordt gesteld.


3.    Procedure

De procedure tot opmaak van een gemeentelijk mobiliteitsplan (drie fasen) is gedeeltelijk beschreven in het Decreet van 20-03-2009 betreffende het mobiliteitsbeleid, gewijzigd bij Decreet van 10-02-2012 en in het bijhorend Besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013. Onderstaand is een overzicht gegeven van de opeenvolgend te doorlopen stappen.

  • Het college van burgemeester en schepenen besluit tot het opmaken van een gemeentelijk mobiliteitsplan en treft daartoe de nodige maatregelen.
  • In voorkomend geval : het college van burgemeester en schepenen besluit tot het opmaken van een voorstel van participatietraject. De gemeenteraad keurt het participatietraject goed. Worden geen regels voor de participatie vastgesteld, dan onderwerpt het college van burgemeester en schepenen het voorlopig ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan minstens aan een openbaar onderzoek.
  • Opmaak van het gemeentelijk mobiliteitsplan door de GBC.
  • Voorlopige vaststelling van het ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan door de gemeenteraad.
  • Desgevallend, openbaar onderzoek indien geen participatietraject.
  • Voorlegging aan de RMC. Advies van de kwaliteitsadviseur binnen de 15 dagen over het ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan m.b.t. de inhoud en de conformiteit van het document met het Mobiliteitsdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
  • Gemeenteraad : definitieve vaststelling binnen de 60 dagen na ontvangst van het gunstig advies van de kwaliteitsadviseur, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de kwaliteitsadviseur advies diende uit te brengen, of na ontvangst van de beslissing van de minister, die optreedt namens de Vlaamse Regering waarbij het ongunstig advies van de kwaliteitsadviseur werd heroverwogen.
  • Vaststellingsbesluit bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  • Het Mobiliteitsplan treedt in werking 14 dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Colleges van burgemeester en schepenen kunnen besluiten tot de opmaak van een intergemeentelijk mobiliteitsplan. Bij dit besluit wordt ook de beslissing genomen tot het instellen van een intergemeentelijke begeleidingscommissie (IGBC) die zal instaan voor de opmaak van het intergemeentelijk mobiliteitsplan. De procedure is gelijk aan dat van de opmaak van een gemeentelijk mobiliteitsplan. 

Een intergemeentelijk mobiliteitsplan treedt pas in werking veertien dagen nadat het vaststellingsbesluit van alle betrokken gemeenten bij uittreksel in het Belgisch staatsblad werd bekendgemaakt. Zolang niet alle vaststellingsbesluiten zijn bekend gemaakt, treden alleen de bepalingen in werking die uitsluitend betrekking hebben op het grondgebied van de gemeente waarvan het vaststellingsbesluit overeenkomstig hierboven gesteld, werd bekendgemaakt.

4.    Subsidiëring

Het Decreet van 20-03-2009 betreffende het mobiliteitsbeleid, gewijzigd bij Decreet van 10-02-2012  en het bijhorend Besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 bepalen dat gemeenten financiëel en methodologisch kunnen ondersteund worden bij de opmaak of de bijsturing van een (inter)gemeentelijk mobiliteitsplan.

Gemeenten komen in aanmerking voor subsidies voor de opmaak van een (nieuw) mobiliteitsplan of voor de gehele of gedeeltelijke herziening van het mobiliteitsplan via spoor 1 of spoor 2. Bij een spoor 2 bedraagt het subsidiebedrag de helft van het bedrag dat kan worden verkregen voor een nieuw plan of spoor 1. Gemeenten kunnen maximaal maar één subsidie voor de opmaak of herziening van het mobiliteitsplan bekomen per lokale beleidscyclus.

Het gemeentelijk mobiliteitsplan dat voorwerp is voor de subsidieaanvraag moet een gunstig advies hebben gekregen van de kwaliteitsadviseur, tenzij er geen advies werd uitgebracht binnen de voorgeschreven termijn of de minister het ongunstig advies heeft hervormd na het instellen van een verzoek tot heroverweging.
De subsidieaanvraag wordt aangetekend of elektronisch verstuurd tegen ontvangstbewijs naar de provinciale Cel van de Afdeling Beleid Mobiliteit en Verkeersveiligheid. Er wordt gebruikgemaakt van het model dat nog ter beschikking wordt gesteld. Betaling gebeurt ten vroegste na de bekendmaking van het Mobiliteitsplan, zijnde de publicatie van het definitieve vaststellingsbesluit door de Gemeenteraad van het gemeentelijke mobiliteitsplan in het Belgisch Staatsblad.

(Voor gemeenten die bij de start van het planningsproces dat nu nog loopt een module 1 hebben afgesloten, blijven de voorwaarden en bepalingenvan de module van kracht, ook inzake subsidiëringen dossiersamenstelling van de betalingsaanvraag.)

5.    Evaluatie en zo nodig herziening van het gemeentelijk mobiliteitsplan

De evaluatie van het mobiliteitsplan heeft inzonderheid betrekking op het duurzame karakter van het opgestelde mobiliteitsplan, en op het behalen van de in het mobiliteitsplan vooropgestelde doelen en acties.

Het Decreet van 20-03-2009 betreffende het mobiliteitsbeleid , gewijzigd bij Decreet van 10-02-2012, bepaalt dat het gemeentelijk mobiliteitsplan op elk moment, maar ten minste om de 6 jaar, kan worden geëvalueerd en zo nodig geheel of gedeeltelijk herzien.
Artikel 16
 
§2. Het gemeentelijk mobiliteitsplan kan op elk moment geheel of gedeeltelijk worden herzien. Het wordt ten minste om de zes jaar geëvalueerd en zo nodig geheel of gedeeltelijk herzien volgens de procedure die geldt voor de opmaak en de vaststelling ervan. Het bestaande plan blijft gelden tot het nieuwe plan is bekendgemaakt overeenkomstig artikel 19, §5.

§3. Het gemeentelijk mobiliteitsplan wordt geëvalueerd met het oog op de eventuele herziening ervan, aan de hand van een evaluatietool, hierna sneltoets te noemen. De resultaten van de sneltoets worden ter bespreking voorgelegd aan de RMC, vermeld in artikel 26/4.

De gemeente kan twee evaluatie-instrumenten hanteren, elk met een eigen finaliteit : het voortgangsverslag en de sneltoets. Deze laatste is de enige tool die kan worden aangewend voor de decretaal verplichte evaluatie van het mobiliteitsplan.

5.1.    Evaluatie via de sneltoets

Wanneer en door wie ?
Het gebeurt door/in de Gemeentelijke Begeleidingscommissie. De gemeentelijke mobiliteitsambtenaar bereidt voor. Hij/zij mag voor omkaderende begeleiding altijd contact opnemen met de mobiliteitsbegeleider van de provinciale Cel Beleid Mobiliteit en Verkeersveiligheid van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken.

Het Mobiliteitsdecreet bepaalt dat de gemeentelijke mobiliteitsplannen ten minste om de zes jaar dienen te worden geëvalueerd. De bepaling van de termijn van zes jaar is gebaseerd op het feit dat het vastgestelde beleidsscenario niet eeuwig ongewijzigd kan blijven ook al ging men uit van een planhorizon van 10 jaar. Nieuwe ontwikkelingen of beleidskeuzes in andere beleidsdomeinen dienen te worden getoetst aan het gekozen scenario. Ook het mobiliteitsbeleid van de Vlaamse overheid zelf moet van tijd tot tijd bijgestuurd worden, onder impuls van nieuwe uitdagingen, doelstellingen en verwachtingen.

Een plancyclus van maximaal 6 jaar maakt het mogelijk de planperiode af te stemmen op de gemeentelijke legislatuurperiode. Een lokaal bestuur voert dan het best zo spoedig mogelijk bij de aanvang van een nieuwe legislatuur de sneltoets uit. Zo weet het bestuur of het gemeentelijk mobiliteitsplan moet worden bijgestuurd of kan worden bevestigd.

Maar gemeentelijke mobiliteitsplannen kunnen ook op andere momenten vatbaar zijn voor een gehele of gedeeltelijke herziening, bv. :
  • bij de aanvang van een nieuwe legislatuur
  • wanneer de planningscontext grondig wijzigt, bijvoorbeeld door :
    • de inwerkingtreding van een gemeentelijk planningsdocument in een ander beleidsdomein dat interfereert met mobiliteit, zoals een Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan (GRS), een Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (GRUP), enz ...
    • een nieuw bovenlokaal planningsinstrument, zoals het Mobiliteitsplan Vlaanderen
    • de komst van een grootschalig, strategisch project
Doel ?
De sneltoets heeft als doel het gemeentelijk mobiliteitsplan te toetsen op zijn actualiteitswaarde en richting te geven aan het toekomstige gemeentelijk mobiliteitsbeleid.

De sneltoets gebeurt door de GBC, meer concreet aan de hand van twee vragen :
  • Kunnen de actoren zich nog vinden in de doelstellingen van het beleidsplan ? Staan ze nog nadrukkelijk en onverdeeld achter de realisatie van dat plan ?
  • Zo ja, zijn er dan thema's, deelaspecten die in het bestaande mobiliteitsplan onbehandeld gebleven zijn en/of onvoldoende zijn uitgewerkt ? Welke ?
Hoe ?
Via  het formulier van de sneltoets (inclusief beknopte toelichting). Klik hier voor het formulier en meer info.

Als conclusie zijn er drie te volgen sporen mogelijk :
  • Spoor 1: Vernieuwen van het gemeentelijk mobiliteitsplan
Minstens één van de leden van de GBC staat niet meer nadrukkelijk en onverdeeld achter het beleidsplan. Een aantal strategische keuzes wordt in vraag gesteld. De conclusie is dan dat het hele beleidsplan aan herziening toe is.
In deze grondige herziening wordt de opmaak van het gemeentelijk mobiliteitsplan overgedaan volgens de driefasenmethodiek van het gemeentelijk mobiliteitsplan.  Subsidiëring is mogelijk.

Spoor 1 : Vernieuwen van het gemeentelijk mobiliteitsplan
  • Spoor 2 : Verbreden-verdiepen van het gemeentelijk mobiliteitsplan.
De leden staan nog wel nadrukkelijk en onverdeeld achter het beleidsplan. Ze zijn van oordeel dat bepaalde relevante mobiliteitsthema's in het plan niet aan bod gekomen zijn of alleszins te oppervlakkig werden behandeld. Ze willen de ontbrekende thema's aan het plan toevoegen of de slechts oppervlakkig behandelde thema's verder uitdiepen. We spreken dan over verbreding (= thema's toevoegen) of verdieping (= thema's verder uitwerken) van het mobiliteitsplan.
Deze thema's worden geselecteerd in de sneltoets. De uitvoering van Spoor 2 gebeurt in verschillende stappen, gespreid over drie fasen :
  • Verkenningsfase (waarin o.a. de onderzoeksopzet wordt bepaald);
  • Uitwerkingsfase (waarin o.a. het onderzoek wordt uitgevoerd);
  • Beleidsplanfase (integratie van de gekozen thema's in het bestaande mobiliteitsplan).. Subsidiëring is mogelijk.
Spoor 2 : Verbreden-verdiepen van het gemeentelijk mobiliteitsplan
  •  Spoor 3 : Bevestigen-actualiseren van het gemeentelijk mobiliteitsplan.
Het bestaande mobiliteitsplan is nog voldoende actueel en gedragen, waardoor het verder uitgevoerd kan worden. Het mobiliteitsplan wordt dus bevestigd. Het actieplan wordt wel geactualiseerd.
Subsidiëring is niet mogelijk.

Spoor 3 : Bevestigen-actualiseren van het gemeentelijk mobiliteitsplan

Verdere procedure
De lokale besturen leggen de sneltoets en haar uitkomst samen met de GBC-verslagen voor advies voor aan de RMC. De RMC gaat na of de sneltoets correct werd uitgevoerd en of de leden van de GBC een consensus bereikt hebben over het te volgen spoor. De RMC neemt ook kennis van de afspraken m.b.t. het gekozen spoor dat de GBC voor ogen heeft met het gemeentelijk mobiliteitsplan. Na de bespreking in de RMC verleent de kwaliteitsadviseur een advies over de sneltoets, inclusief het gekozen spoor :
  • is het advies gunstig, dan kan worden gestart met de verdere procedure afhankelijk van het te volgen spoor;
  • is het advies ongunstig, dan moet de sneltoets worden overgedaan en opnieuw voor advies voorgelegd aan de RMC.
De RMC kan naast de beoordeling van de sneltoets ook het verdere planningsproces doorlichten, waarbij dan eventueel  per fase een advies wordt uitgebracht over de inhoud van de overeenkomstige nota, de procedure voor de volgende fase in het planningsproces:
  • bij spoor 1: de oriëntatienota, de synthesenota en het beleidsplan
  • bij spoor 2: de verkenningsnota, de uitwerkingsnota en het beleidsplan

De RMC zal later het resultaat van de integratie van de fasen, met name het ontwerp van mobiliteitsplan doorlichten. Het ontwerp van mobiliteitsplan wordt samen met het resultaat van het openbaar onderzoek of andere vormen van participatie voorgelegd. Na de bespreking in de RMC verleent de kwaliteitsadviseur een advies. Het advies geeft aan of het ontwerp van mobiliteitsplan conform is aan de relevante regelgeving zoals het decreet van 20 maart 2009 betreffende het mobiliteitsbeleid, en gewijzigd bij het decreet van 10 februari 2012, en het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg, de bijhorende uitvoeringsbesluiten en het vastgesteld Mobiliteitsplan Vlaanderen.

Het bestaande plan blijft gelden tot het nieuwe plan is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Het geactualiseerd beleidsplan (spoor 3) dient niet voor advies aan de RMC te worden voorgelegd. Het betreft hier een actualisatie van het actieplan die uitvoering geeft aan het bestaand mobiliteitsplan waarvan de visie en doelstellingen niet zijn gewijzigd. Het is van belang dat het aangepast actieprogramma in consensus is aangenomen in de GBC. De definitieve versie wordt aan de GBC-leden en de voorzitter van de RMC overgemaakt.


Subsidiëring ?
De sneltoets is een relatief eenvoudige procedure die niet veel tijd vergt. De basis ervoor zijn de visies en principes van het lokale bestuur zelf. Dit instrument kan dan ook gemakkelijk door de gemeenten zelf worden gebruikt, zonder de ondersteuning van een studiebureau. Om die redenen werd beslist geen subsidiëring te verbinden aan het uitvoeren van de sneltoets.

5.2.    Voortgangsverslag

Wanneer en door wie ?
Het voortgangsverslag kan een keer per jaar door de Gemeentelijke Begeleidingscommissie worden opgesteld en goedgekeurd. Het wordt het best door de bevoegde gemeentelijke ambtenaar voorbereid. Het eerste verslag wordt ten vroegste een jaar na de conformverklaring/bekendmaking van het gemeentelijk mobiliteitsplan opgemaakt.

De gemeente maakt vrijwillig de keuze om met het voortgangsverslag te werken. Vanuit deze keuze zal dit verslag binnen de eigen interne werkprocessen worden opgenomen. Met de invoering van de sneltoets en de aangepaste methodiek voor de opmaak of herziening van het gemeentelijk mobiliteitsplan in 2009 werd de verplichting geschrapt om jaarlijks aan de Vlaamse overheid te rapporteren over de uitvoering van het actieplan. Het blijft wel aangewezen dat de lokale overheid in de GBC tussendoor een balans opmaakt van de acties/projecten uit het actieplan.

Doel ?
Het doel van het voortgangsverslag is om een overzicht te krijgen van de stand van zaken in de uitvoering van het gemeentelijk mobiliteitsplan. Er wordt nagegaan of de afspraken worden opgevolgd die tussen de partners werden gemaakt bij de samenstelling van het actieprogramma in het mobiliteitsplan. Het is dus niet de bedoeling met dit voortgangsverslag de acties/maatregelen zélf te evalueren.

Hoe ?
De lokale overheden die hun actieplan hebben omgezet in een Access-omgeving (zie Inhoud en vorm van het actieplan van het gemeentelijk mobiliteitsplan), kunnen met diezelfde tool ook voortgangsrapporten genereren. Anderen kunnen gebruik maken van dit Word-formulier: Formulier - Voortgangsverslag van het gemeentelijk mobiliteitsplan.doc.

Verdere procedure
Als de gemeentelijke begeleidingscommissie (GBC) het voortgangsverslag heeft goedgekeurd, moet er een kopie van het verslag opgestuurd worden naar alle leden van de GBC.  Voor het overige dient de procedure en werkwijze te worden gevolgd die de gemeente zelf heeft vastgesteld.


© 2018 - Vlaamse overheid, Departement Mobiliteit en Openbare Werken - Afdeling Beleid
De modellicentie voor gratis hergebruik van de Vlaamse overheid is van toepassing op deze website :
zie website vlaanderen.be voor meer info